|
 |
Mensenrechten, marteling en onderdrukking |
 |
|
Wat zijn mensenrechten?
Mensenrechten zijn internationale normen die mensen wereldwijd bescherming bieden tegen grove politieke, juridische en sociale inbreuken. De basis van mensenrechten kan gevonden worden in de meeste godsdiensten en filosofische stelsels en is gebaseerd op het respect voor menselijk leven en menselijke waardigheid. Het is tevens een dynamisch concept, nauw geassocieerd met moraliteit en ethiek. De essentie van mensenrechten houdt in dat er bepaalde onvervreemdbare (ze kunnen niet gekocht, verdiend, gegeven of op welke andere manier dan ook verkregen worden), ondeelbare (absolute gelding) en onderling afhankelijke rechten (verbonden en kunnen niet los van elkaar worden gezien, geen enkel recht is belangrijker dan de andere) zijn die universeel voor alle mensen gelden. Ze gelden dus ook wanneer nationale wetten bepaalde mensenrechten niet erkennen. Mensenrechten zijn juridisch afdwingbaar en beschermt zodoende tegen inmenging of misbruik van de staat.
Mensenrechten zijn terug te vinden in zowel internationale verdragen en verklaringen als in nationale wetgeving. Verdragen vormen, binnen internationaal recht1, de hoogste vorm van recht, waardoor theoretisch gesproken nationaal recht buiten toepassing blijft bij onverenigbaarheid met een verdrag.
Er zijn drie groepen mensenrechten:
1)De burgerlijke en politieke rechten. Deze zijn gecodificeerd (vastgelegd) in het Verdrag Inzake Burger- en Politieke Rechten. Voorbeelden van deze rechten zijn het recht op leven, het recht op vrije meningsuiting en het verbod op slavernij. 2)De sociale, economische en culturele rechten. Deze zijn gecodificeerd in het Internationale Verdrag Inzake de Economische, Sociale en Culturele Rechten. Voorbeelden van deze rechten zijn het recht op arbeid, recht op onderwijs en het recht op sociale zekerheid. 3)De collectieve rechten. Deze ‘nieuwe’ rechten regelen de rechten van het individu als onderdeel van een groep. Voorbeelden van deze rechten zijn het recht op zelfbeschikking, het recht op ontwikkeling, bescherming van minderheden, etc. Deze rechten zijn dus anders dan de groepsrechten zoals voorkomend bij de burgerlijke en politieke rechten. Collectieve rechten worden echter niet door iedereen erkend als mensenrechten.
Om deze rechten te waarborgen wordt er van de overheid soms een actieve houding of een passieve houding gevraagd. Bij een actieve houding moet de overheid de omstandigheden creëren of waarborgen waarin deze rechten uitgeoefend kunnen worden. Bij een passieve houding moet de overheid de burger vrij laten om deze rechten te kunnen uitoefenen zonder inmenging van de overheid.
De eerste keer dat dit onderscheid in verschillende rechten werd gemaakt was in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Deze verklaring is tot op de dag van vandaag een van de meest erkende en breed aanvaarde documenten van mensenrechten. De Verklaring werd, in de context van de vele misdaden begaan tijdens de Tweede Wereld Oorlog, op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties unaniem aangenomen. De Verklaring bepaalt de basisrechten voor iedereen ter wereld. Deze basisrechten zijn onafhankelijk van ras, geslacht, taal, huidskleur, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of sociale herkomst, eigendom, geboorte of andere status. Zoals gezegd was de Universele Verklaring het eerste document dat specifiek sprak over burgerlijke rechten (Artikelen 1 t/m 8), politieke rechten (Artikelen 19/21), evenals de sociale, economische en culturele rechten (Artikelen 22 t/m 27). Ook bevat het collectieve rechten (ook wel solidariteitsrechten genoemd), hoewel veel mensen van mening zijn dat mensenrechten voorbehouden zijn aan individuen.
Er zijn ook vele gespecialiseerde verdragen, zoals het Verdrag tegen Foltering en andere Wrede, Onmenselijke of Onterende Behandeling of Bestraffing en het Verdrag inzake de Voorkoming en Bestraffing van Genocide. Ook zijn er verdragen specifiek gericht op bijvoorbeeld de rechten van vluchtelingen en vreemdelingen.
Is de Universele Verklaring bindend voor staten?
De Universele Verklaring is niet bindend voor staten. Zoals de naam al stelt gaat het hier niet om een verdrag maar om een verklaring. Een verklaring is geen wet, maar een soort belofte om de aandacht te vestigen op een bepaalde zaak of probleem. Een verdrag echter is een bindende afspraak tussen landen en kan meer als wet gezien worden. Een verklaring kan dus niet direct tegenover een overheid of een rechtbank/tribunaal worden ingeroepen. Toch heeft ze als algemene principeverklaring een belangrijk aandeel. Veel van haar principes zijn vertaald in wettelijk bindende verdragen zoals de eerdergenoemde burgerlijke en politieke rechten en de sociale, economische en culturele rechten. Ook bevatten veel nationale wetten en grondwetten mensenrechten zoals vermeld in de Verklaring.
Wie beschermt de mensenrechten?
Staten zelf hebben de eerste verantwoordelijkheid om mensenrechten te beschermen. Naast de staten zijn er vele officiële instanties die wereldwijd toezien op de naleving van de mensenrechten. Een voorbeeld hiervan is het VN Comité voor de Rechten van de Mens dat is opgericht naar aanleiding van Internationale Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten, of het Internationaal Hof van Justitie, opgericht voor de behandeling van klachten door staten gericht tegen andere staten. Ook het in 2002 opgerichte Internationaal Strafhof is een instantie belast met het vervolgen van de meest ernstige misdaden zoals oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid.
Verder zijn er vele non-gouvernementele organisaties die zich bezighouden met mensenrechten. Voorbeelden hiervan zijn Human Rights Watch, Amnesty International en natuurlijk Project Aware.
Marteling
Wat is marteling?
Volgens het Verdrag tegen Foltering en andere Wrede, Onmenselijke of Onterende Behandeling of Bestraffing is marteling: “Iedere handeling waardoor opzettelijk hevige pijn of hevig leed, lichamelijk dan wel geestelijk, wordt toegebracht met zulke oogmerken als het verkrijgen van inlichtingen, bestraffing, intimidatie of dwang, wanneer zulke pijn wordt toegebracht door of met instemming van een overheidsfunctionaris.” Bij deze definitie is niet inbegrepen de pijn of leed die voortvloeit uit, inherent aan of behorend bij wettige sancties, voor zover deze in overeenstemming zijn met de Standaard-Minimum Regels voor de Behandeling van Gevangenen van de VN.2
Marteling kan gepleegd worden als een oorlogsmisdaad, als een misdaad tegen de menselijkheid of als een geïsoleerde daad. Het maakt dus voor de strafbaarheid van de dader niet uit of het in oorlogstijd of in tijd van vrede plaatsvindt. Er moeten wel bepaalde criteria vervuld worden om marteling als een oorlogsmisdaad of als een misdaad tegen de menselijkheid aan te merken wat van invloed kan zijn op de zwaarte van de straf. Deze criteria zijn deels ontwikkeld door de jurisprudentie van internationale tribunalen zoals het Joegoslavië tribunaal.
Zowel marteling als wrede, onmenselijke of onterende behandeling zijn niet beperkt tot praktijken die enkel fysieke pijn of wonden veroorzaken, psychische marteling is ook mogelijk. Dreigementen tegen familieleden, dreigementen dat een persoon gemarteld zal worden, schijnexecuties of een dreigement dat de persoon in kwestie uitgeleverd zal worden aan een land waar hij gemarteld zal worden veroorzaken allemaal psychisch leed en vallen onder marteling. Zijn marteling en wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing twee aparte categorieën?
‘Marteling’ en ‘wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing’ zijn twee aparte categorieën, maar moeten wel in samenhang gelezen worden. Dit komt duidelijk naar voren in de tekst van het Verdrag tegen Foltering en andere Wrede, Onmenselijke of Onterende Behandeling of Bestraffing, waar de woorden: en andere in plaats van: of worden gebruikt. Algemeen gesproken is marteling het veroorzaken van hevige pijn of lijden, en wrede, onmenselijk of onterende behandeling of bestraffing de blootstelling aan een fysieke behandeling die als doel heeft de persoon te intimideren, straffen of een gevangene te “breken” tijdens ondervragingen. Voorbeelden van behandelingen die niet onder marteling vallen, maar wel onder wrede, onmenselijke of onterende behandeling zijn bijvoorbeeld het blootgesteld worden aan harde muziek gedurende lange tijd, slaaponthouding, blootgesteld worden aan fel licht of blinddoeken, onthouding van eten of drinken, gedwongen worden om gedurende langere periodes te blijven staan in een ongemakkelijke positie of te hurken, etc. Een combinatie van sommigen van deze handelingen kan echter wel als marteling worden aangemerkt. In de praktijk is het onderscheid tussen marteling en wrede, onmenselijke of onterende behandeling niet altijd even eenvoudig te maken. Denk bijvoorbeeld aan de foto’s van de gevangenis Abu Ghraib, sommigen vinden de foto’s een duidelijk voorbeeld van marteling, terwijl anderen van mening zijn dat het ‘slechts’ wrede, onmenselijke of onterende beelden laat zien.
Wie bepaalt wanneer een geval aangemerkt kan worden als marteling of als wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing?
Naast de rechtbanken in ieder land is in het Europese Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens de mogelijkheid voor personen of staten om een formele klacht in te dienen wegens schending van hun rechten. De rechter zal dan per geval bekijken wat de feiten zijn. Een voorbeeld van een dergelijke zaak betrof de zaak Ireland vs. UK van 1978. In deze zaak werd aan de rechter de vraag voorgelegd of de behandeling van leden van de IRA door de Britse politie (zoals het gedwongen uren achtereen in een ongemakkelijke positie tegen een muur staan) als wrede, onmenselijke of onterende behandeling kon worden aangemerkt. De rechtbank besloot dat er weliswaar sprake was van wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, maar dat de pijn en het lijden die de verdachten ondergingen niet hevig genoeg waren om als marteling aangemerkt kunnen worden.
Waarom wordt er gemarteld?
In de middeleeuwen vond marteling vooral plaats om een bekentenis af te dwingen en zo de schuld van de betrokken persoon aan te tonen. De gedachte hierachter was niet alleen gericht op de strafbaarheid van de dader, maar ook om zodoende zijn plek in de hemel te garanderen. Men was namelijk van mening dat een persoon in de hel zou belanden als hij zijn misdaad niet voortijdig bekende. Door iemand te martelen werd een persoon dus gedwongen om een bekentenis af te leggen, waardoor hij/zij automatisch een plek in de hemel verkreeg. De achterliggende gedachte was dus ironisch gezien het ‘welzijn’ van de gemartelde persoon.
Zoals gezegd kan marteling plaatsvinden als een oorlogsmisdaad, als een misdaad tegen de menselijkheid of als een geïsoleerde daad. In al deze gevallen is het voor de strafbaarheid van de dader niet relevant dat hij als oogmerk had een bekentenis van het slachtoffer te bewerkstelligen. Marteling kan om vele redenen plaatsvinden: - Om informatie of een bekentenis af te dwingen. - Om te straffen, te intimideren, of een persoon te vernederen. - Om een slachtoffer of een derde persoon iets te laten doen of juist iets na te laten. - Om te discrimineren, op welke grond dan ook, tegen het slachtoffer of een derde persoon. - Als middel van controle tegen criminaliteit of politieke oppositie. - Als een middel om terreur te zaaien onder de bevolking.
Vandaag de dag vindt marteling vaak plaats onder het mom van het nationale veiligheidsbeleid van een land. Als een regering wordt bedreigd door bepaalde groeperingen wordt marteling als het ware toegestaan of gedoogd om vitale informatie te bemachtigen in het ‘staatsbelang’. In dit soort situaties is er vaak sprake van een vicieuze cirkel, en wordt het begrip ‘veiligheid’ en ‘staatsbelang’ dusdanig opgerekt dat marteling ook voor andere doeleinden gebruikt zal worden.
Is marteling effectief om belangrijke informatie te achterhalen?
Marteling wordt vaak een beschermende functie toegeschreven; de verkregen informatie zal toekomstige misdaden voorkomen. Veel geleerden en militairen zijn het er over eens dat marteling echter geen effectief middel is om een bekentenis af te dwingen. Vaak zal een persoon van alles zeggen om simpelweg de pijn te laten stoppen, ook al weet hij niks van de betreffende zaak af of betekent hij misdaden die hij niet begaan heeft. Ook komt het voor dat een persoon vanwege de zware fysieke en psychische druk begint te hallucineren en niet meer in staat is om iets te zeggen dat van belang zou zijn voor de ondervragers. Een ander nadeel is het feit dat de verkregen informatie niet nauwkeurig te ‘filteren’ is. Het is praktisch zeer moeilijk om precies te beoordelen welke informatie juist, niet juist of verzonnen is. Uiteindelijk is marteling niet alleen onwenselijk wegens de eerder geschetste redenen, maar ook omdat het de burgerlijke vrijheden beperkt en de rechtsstaat als zodanig aantast.
Wat zijn enkele voorbeelden van martelingen?
Er zijn verschillende martelmethodes die door de eeuwen gebruikt werden maar ook methodes meer ‘aangepast’ aan deze tijd. Voorbeelden van marteling tijdens de middeleeuwen zijn bijvoorbeeld de duimschroeven, de rektafel en de geseling. Hoewel deze methodes nog wel voorkomen zijn vandaag de dag gebruikte methodes onder andere het slaan op de voetzolen, schoppen, verhongering, elektrische schokken op bepaalde lichaamsdelen, verkrachting, verbranding, zweepslagen, mutilatie, iemand gedurende lange periodes bij de voeten of handen ophangen, bijna verstikking door onderdompeling in water, etc.
In welke verdragen staat het verbod tegen marteling?
Een van de belangrijkste en eerste internationale documenten die het verbod op marteling expliciet vastlegde was de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948. Artikel 5 van dit verdrag stelt: “Niemand zal worden blootgesteld aan foltering, wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.”
Naast de Universele Verklaring is het belangrijkste verdrag tegen marteling het eerder genoemde Verdrag tegen Foltering en andere Wrede, Onmenselijke of Onterende Behandeling of Bestraffing dat in 1987 in werking trad. Dit verdrag is bindend voor alle staten (136 in totaal) die het verdrag geratificeerd hebben.3 In het verdrag staat een serie maatregelen waaronder de verplichting voor een staat om een folteraar die zich op haar territorium bevindt ofwel te berechten ofwel uit te leveren. Ook moet een staat regelingen treffen voor de compensatie van slachtoffers van marteling. Een staat zal ook verantwoording moeten afleggen aan een Comité tegen Foltering bestaande uit tien onafhankelijke deskundigen. Dit comité hoort klachten, van zowel andere staten of van individuele personen, maar is ook bevoegd om zelfstandig onderzoek te verrichten.
Sinds de Universele Verklaring zijn er vele internationale en regionale verdragen bijgekomen die expliciet het verbod op marteling bevatten. Enkele voorbeelden van deze verdragen zijn:
Het Afrikaans Handvest voor de Rechten van de Mens (Artikel 5) Internationaal Verdrag Inzake Burgerrechten en Politieke rechten (Artikel 7) Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (Artikel 3)
Ook zijn er gespecialiseerde verdragen waar het verbod op marteling expliciet vermeld wordt, zoals de Conventie voor de Rechten van het Kind (Artikel 37a en 39)
Waar moet een handeling juridisch aan voldoen om als marteling gekwalificeerd te worden?
In de eerste plaats moet de pijn of het lijden hevig zijn. In de tweede plaats moet de toepassing ervan opzettelijk gedaan worden. Pijn of lijden dat per ongeluk iemand wordt aangedaan kan niet als marteling gekwalificeerd worden. In de derde plaats moet de toepassing ervan gedaan worden met een specifiek oogmerk zoals die vermeld in Artikel 1 van het Verdrag tegen Foltering of voor welke discriminerende reden dan ook. In de vierde plaats moet de toepassing ervan gebeuren door of met instemming van een overheidsfunctionaris.
In welke landen vindt marteling en wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing plaats?
Volgens Amnesty International wordt er in ruim 150 landen gemarteld. Onder andere in China, Egypte, Indonesië, Iran, Soedan, Irak, Israël, Maleisië, Marokko, Nepal, Noord Korea, Pakistan, Rusland, Syrië, Turkije, Oeganda en Oezbekistan. Er zijn echter ook Europese landen waar dit gebeurd of gebeurde. Voorbeeld hiervan is de eerder genoemde zaak in Groot-Brittannië, waar leden van de IRA zodanig behandeld werden dat een rechter bepaalde dat de feiten zoals ze zich voordeden als wrede, onmenselijke of onterende behandeling aangemerkt kunnen worden. Een ander voorbeeld is Frankrijk die in haar voormalige kolonie Algerije op grote schaal marteling toepaste op de lokale bevolking. Ook in Spanje zijn er vele klachten van martelingen op politiebureaus van verdachte ETA leden.
Zijn er situaties denkbaar waar marteling toegestaan is of is marteling onder alle omstandigheden verboden?
Marteling en wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing is onder alle omstandigheden verboden. Het is een onvervreemdbaar recht dat altijd en overal geldig is. Dit geldt zelfs in tijden van oorlog of in andere noodsituaties (zoals ten tijde van noodwetgeving).
Een veel gehoord argument om marteling toe te passen is het zogeheten ‘ticking bomb scenario.’ Dit houdt kort gezegd in dat er zich een situatie voordoet die zo urgent is dat martelen ogenschijnlijk de enige en meest effectieve oplossing is. Bijvoorbeeld in het geval dat de politie betrouwbare informatie heeft achterhaald over een bom in een school ergens in het land. De politie heeft een verdachte in hechtenis die als enige weet in welke school de bom, die over enkele uren afgaat, zich bevindt. De verdachte laat niets los tijdens de ondervragingen. Gezien de noodzaak van het geval kan het voor de politie erg verleidelijk zijn om de verdachte te martelen om de cruciale informatie te verkrijgen. Er moet dan zogenaamd gekozen worden tussen ‘twee kwaden’. Los van de twijfelachtige kans op succes zijn er zware praktische en morele redenen om onder geen enkele omstandigheid een uitzondering op het verbod van martelen toe te laten, onafhankelijk van de omstandigheden van het geval. Een van deze praktische redenen is bijvoorbeeld de vraag hoe groot de dreiging moet zijn om bij een volgend geval ook marteling toe te passen? En hoe zeker moeten de autoriteiten zijn dat de verdachte inderdaad de persoon is die noodzakelijke informatie heeft over de bom? En kan het ook toegepast worden als de dreiging slechts een verre toekomstige dreiging betreft, en er meerdere mensen bij betrokken zijn? Er zijn ook vele morele vragen die aan de orde komen wanneer een regering overweegt zich aan deze praktijken te wagen. Bijvoorbeeld de vraag hoeveel gefolterde lichamen gelijk staan aan een mensenleven? Een ander aspect is hoe een democratische rechtsstaat zijn normen en waarden kan behouden als men een dergelijk ernstige inbreuk maakt op de menselijke waardigheid van haar burgers? Wat zijn de grenzen, en wat weerhoudt folteraars ervan om steeds zwaardere methodes in te zetten mocht de verdachte niks los laten, en wie bepaalt deze grenzen? Kortom, marteling dat als uitzondering begint, kan al snel geïnstitutionaliseerd raken en deel uitmaken van een systematisch beleid dat uiteindelijk onvermijdelijk ook voor andere doeleinden gebruikt kan en zal worden.
Zijn er voorbeelden van landen of personen die getracht hebben het verbod op marteling wettelijk te omzeilen?
De internationale gemeenschap heeft universeel de toelaatbaarheid van marteling afgewezen. In geen enkel verdrag of nationale wetgeving bestaan er uitzonderingen op het absolute verbod op marteling. Er zijn echter veel voorbeelden van landen of personen die getracht hebben marteling of mildere vormen van marteling wettelijk toe te staan. Een dergelijk land was Israël. Gezien de reële en constante dreiging van terroristische aanslagen op haar grondgebied had een speciale commissie, onder leiding van rechter Landau (de zogenoemde Landau Commissie), voorgesteld om “een lichte vorm van fysieke pressie” toe te staan op Palestijnse verdachten. De rechtvaardiging lag in het voorkómen van toekomstige aanslagen tegen Israëlische burgers en dat het enkel ging om ‘ticking bomb scenario’s.’ Echter, al gauw werd het op grote schaal toegepast op Palestijnse gevangenen vanwege de achterliggende gedachte dat ze waarschijnlijk toch wel iets wisten over een toekomstige terroristische aanslag. In 1999 werd deze praktijk door het Israëlische Hoge Gerechtshof afgeschaft, hoewel het vandaag de dag nog vaak voorkomt.
Een ander voorbeeld van een voorstel tot ‘legaliseren’ van marteling kwam van Professor Alan Dershowitz van de Universiteit van Harvard. Zijn stelling hield in dat marteling, ondanks alle pogingen om het uit te bannen, onvermijdelijk is en uiteindelijk toch zal plaatsvinden. Met dit gegeven in het achterhoofd is het dan veel reëler om te trachten het enigszins onder controle te houden (vergelijkbaar met bijvoorbeeld de legalisering van softdrugs). Dershowitz stelde voor om gebruik te maken van zogenaamde “torture warrants”. Dit houdt in dat als een politieagent van mening is dat een verdachte belangrijke noodzakelijke informatie heeft die levens kan redden en de verdachte deze informatie niet prijsgeeft tijdens ondervragingen, de betreffende agent rechterlijke toestemming kan vragen voor marteling. Als de rechter van mening is dat marteling in de voorgelegde zaak dusdanig urgent en noodzakelijk is kan hij de agent een “torture warrant” geven, zoals hij dat ook doet om bijvoorbeeld een huis te doorzoeken door middel van een ‘search warrant’ (huiszoekingsbevel).
Kan een verdachte naar een ander land gestuurd worden om daar te worden gemarteld?
Het principe van non-refoulement verbiedt in internationaal recht dat een verdachte naar een ander land wordt gestuurd om daar te worden gemarteld. Een bekentenis afgedwongen onder marteling mag door een rechter in welk land dan ook niet worden toegestaan. Als een verdachte toch naar een ander land wordt gestuurd, omdat hij bijvoorbeeld de nationaliteit van dat land bezit en dat land om zijn uitlevering vraagt, kunnen er garanties worden afgedwongen die zijn veiligheid en integriteit garanderen. In de praktijk is het uitleveren van verdachten een veel gebruikt middel om zelf geen verantwoording af te hoeven leggen voor marteling, maar toch de informatie te verkrijgen die men nodig heeft. In de praktijk komt het weinig voor dat deze garanties ook daadwerkelijk worden gecontroleerd. Een veelgehoord punt van kritiek is dan ook dat een land dat bekend staat om structurele en systematische marteling van gevangenen, niet in staat is om een geloofwaardige garantie te geven dat de uitgeleverde gevangene niet zal worden gemarteld.
Welke individuen of bevolkingsgroep loopt het grootste risico om gemarteld te worden?
De slachtoffers van marteling zijn meestal afkomstig uit alle lagen van de maatschappij. Er is geen vaste leeftijd, geslacht, beroep of religie die vaak voorkomt. Daarnaast is er geen speciale lijn te trekken betreffende de redenen van marteling. Zowel daders van gewone misdaden, als politieke gevangenen worden gemarteld. Voor politieke gevangenen geldt doorgaans dat hun familieleden ook niet veilig zijn ook al hebben ze niets te maken met de ideeën of acties van hun familielid. Vaak worden familieleden gemarteld om zo een bekentenis af te dwingen van de betreffende persoon of om een voortvluchtige persoon te dwingen zich over te geven.
Wat zijn de symptomen van marteling bij slachtoffers? Slachtoffers van marteling blijven de rest van hun leven last houden van de gevolgen van marteling. Naast ernstig lichamelijk letsel (of de dood in sommige gevallen) zijn de meest voorkomende symptomen onder andere hoofdpijn, gehoorstoornis, gezichtstoornissen, neurose, angsten, slaapproblemen, loopmoeilijkheden, irritaties, agressie en alcoholproblemen. Het post traumatisch stress syndroom (PTSS) is een ander veelvoorkomend fenomeen. Het is echter juridisch zeer moeilijk aan te tonen dat een persoon dit syndroom heeft omdat een dergelijke ziekte vaak pas jaren na de gebeurtenis naar boven komt. Voor een slachtoffer dat vooral psychisch gemarteld is en geen duidelijke uiterlijk zichtbare wonden heeft, is het dus erg moeilijk om de daders te laten vervolgen wegens een gebrek aan bewijs. Veel mensen zijn echter van mening dat de bewijslast nooit bij het slachtoffer zou moeten liggen, omdat ze hierdoor als het ware dubbel lijden; naast de marteling zelf moeten ze ook nog eens bewijzen dat ze gemarteld zijn.
Executies
Wat zegt de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens over executies?
Artikel 3 van de Universele Verklaring stelt: “Een ieder heeft recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon.” Dit laat een paar fundamentele vragen, zoals de legitimiteit van de doodstraf, onbeantwoord. Wat dit artikel vooral probeerde vast te leggen waren regelrechte moord en standrechtelijke executies door een regering. Hiermee werd vooral gedoeld op de misdaden begaan door de Nazi’s (de Verklaring stamt uit de periode vlak na het einde van de Tweede Wereld Oorlog). Vandaag de dag gebruiken veel mensenrechtenactivisten artikel 3 van de Universele Verklaring als argument tegen de doodstraf.
Welke andere verdragen bevatten clausules over standrechtelijke executies?
Er zijn nog twee andere relevante VN verdragen met betrekking op standrechtelijke executies, de: 'Principles on the Effective Prevention and Investigation of Extra-legal, Arbitrary and Summary Execution' en de: 'Basic Principles on the Use of Force and Firearms by Law Enforcement Officials'. Beide verdragen zijn echter niet juridisch bindend voor staten, net zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.
Zijn er uitzonderingen op het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van een persoon?
Er is maar een verdrag dat specifiek uitzonderingen toelaat op het recht op leven. In artikel 2 van het Europese Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens staat: “No one shall be deprived of his life intentionally save in the execution of a sentence of a court following his conviction of a crime for which this penalty is provided by law”. In de tweede paragraaf staat dat ‘deprivation of life’ niet betekent dat iemand zijn leven verliest ten gevolge van geweld dat niet meer dan absoluut noodzakelijk was (zoals noodzakelijk gebruikt geweld bij een arrestatie of geweld gebruikt om een ontsnapping te voorkomen).
Welke garanties zijn er tegen executies in oorlogstijd?
Het humanitaire recht, gecodificeerd in de vier Geneefse Conventies van 12 augustus 1949 en haar drie additionele protocollen, regelt onder andere wat de strijdende partijen wel en niet mogen doen, de behandeling van burgers en de bescherming van krijgsgevangenen. De Geneefse Conventies zijn door bijna elk land ter wereld geratificeerd. De Conventies bevatten een gemeenschappelijk artikel 3 die onder andere de humane behandeling van niet-strijders voorschrijft. Daarnaast is er in het Additionele Protocol II ook een specifieke vermelding dat een bevel ‘er mogen geen overlevenden zijn’ verboden is.
Wanneer is een standrechtelijke executie een misdaad tegen de menselijkheid?
Wanneer standrechtelijke executies plaatsvinden op een groep mensen, onafhankelijk van het feit of het wel of niet in oorlogstijd plaatsvond, kan het als een misdaad tegen de menselijkheid gekwalificeerd worden.
1.Internationaal recht is een niet afdwingbaar rechtssysteem; er is niet een centraal gezaghebbend overkoepelend orgaan die staten tot de orde kan roepen. De VN veiligheidsraad kan slechts overgaan tot handelingen tegen een staat (sancties, militair ingrijpen, etc) als geen van de permanente leden (VS, VK, Rusland, Frankrijk en China) zijn vetorecht uitoefent. 2.Lijfstraffen die in bepaalde landen wettelijk zijn vastgesteld vallen niet onder het begrip van wettige sancties. In de praktijk wordt hier vooral gevangenisstraf mee bedoeld, en straffen binnen een gevangenisstraf zoals het geplaatst worden in een isoleercel. 3.Staten ondertekenen een verdrag, waardoor ze verplicht zijn om niet te handelen tegen het doel en object van het verdrag. Als ze eenmaal het verdrag geratificeerd hebben door middel van goedkeuring door het parlement, zijn ze gebonden aan het verdrag.
Door: S.W.A. van Niekerk
Bronnen
Textbook on International Law, M. Dixon (Oxford University Press, USA, 5th edition, April 28, 2005)
Torture: a collection, S. Levinson (Ed.) (Oxford University Press, USA, October 1, 2004)
International Human Rights in Context, Law, Politics, Morals, H. Steiner en P. Alston (Oxford University Press, USA, 2nd edition, August 24, 2000)
Compleet overzicht mensenrechtenverdragen: http://www.unhchr.ch/html/intlinst.htm (Universele Verklaring: http://www.unhchr.ch/udhr/lang/dut.pdf)
Wat zijn mensenrechten? (Liga voor Mensenrechten en Amnesty International): http://www.aivl.be/Media/infopakket_mensenrechten_november_2004.pdf
Achtergrond Mensenrechten: http://www.boomuitgeversdenhaag.nl/cache/00/0074b5db2ccee237b1791d3fafe9e078/9054542314_hoofdstuk.pdf
Geneefse Conventies: http://www.icrc.org/Web/Eng/siteeng0.nsf/html/genevaconventions
Dossier Martelen Amnesty International: http://www10.antenna.nl/amnestynijmegen/dossier-martelen.pdf
Informatie over de Landau Commissie http://news.bbc.co.uk/2/hi/middle_east/637293.stm http://www.btselem.org/english/Torture/Index.asp http://www.unhchr.ch/tbs/doc.nsf/0/653f6da51dc104d68025646400568ed6?Opendocument
|
|
|
 |
 |
 |
 |
 |
|
|